blog

Niek van den Adel: Foei!

Geen categorie

“Niek, we hebben een probleem”, luidt de openingszin van mijn opdrachtgever. Het is twee dagen voor een belangrijk congres waar ik mag spreken. “Het podium is niet rolstoeltoegankelijk”, vertelt hij met het schaamrood op zijn kaken. Ik ben er eigenlijk nauwelijks mee bezig en als het me wel weer opvalt, dan is dat meestal ’s […]

Niek van den Adel: Foei!

“Niek, we hebben een probleem”, luidt de openingszin van mijn opdrachtgever. Het is twee dagen voor een belangrijk congres waar ik mag spreken. “Het podium is niet rolstoeltoegankelijk”, vertelt hij met het schaamrood op zijn kaken.

Ik ben er eigenlijk nauwelijks mee bezig en als het me wel weer opvalt, dan is dat meestal ’s avonds. Rollen, transfers maken, katheteriseren; het gaat allemaal volledig op de automatische piloot. Ik schrik dan ook regelmatig als iemand mij eraan helpt te herinneren dat ik in een rolstoel zit.

Op een of andere manier is de wereld niet gemaakt voor de rollenden. Niet dat ik dat erg vind; ik ben er zelf namelijk niet mee bezig. Ik vergeet ook altijd standaard mijn klanten te vertellen dat het bij mij op rolletjes loopt. Bij aankomst geniet ik dan met volle teugen van de creatieve oplossingen die worden geboden om mij gastvrij te ontvangen.

Zo ben ik eens gebukt en al in een veel te kleine goederenlift gepropt, hebben vier dames mij 34 traptreden opgetild – wat overigens een prestatie is met mijn 95 kilogram – en zijn zelfs hellingen van meer dan 30 procent overwonnen.

Ik dacht ook dat ik het meeste wel had ondervonden, tot de gebeurtenissen van de afgelopen weken. Ik werd als dagvoorzitter uitgenodigd bij het nieuwe Meander Medisch Centrum. “Gaaf!”, was mijn eerste reactie. Echter, in dit prachtig ontworpen nieuwe gebouw zijn ze vergeten het auditorium rolstoeltoegankelijk te maken. Kan gebeuren, dacht ik toen nog.

Afgelopen week mocht ik spreken op een symposium in het UMC Utrecht. En jawel hoor, ook hier had een waarschijnlijk ietwat overbetaalde architect een meer dan geweldig mooi ontworpen zaal uit zijn stift laten vloeien. Alleen, u raadt het waarschijnlijk al, was ook deze niet rolstoeltoegankelijk.

Ik reageerde nonchalant: “Ach, maakt niet uit, daar vinden wij wel een oplossing voor”, hoorde ik mijzelf zeggen. Toch knapte er op dat moment iets, het begon te knagen. Sterker nog, ik werd er verdrietig van.

Wat dacht die architect toen hij lekker aan het tekenen was? Rolstoelers, gehandicapten, minderbedeelden, of hoe je mijn soort ook noemen wilt, spreken niet op podia? Ze kunnen toch ook getild worden? Of dacht-ie helemaal niet na? Was-ie gewoon lekker zijn ‘ding’ aan het doen? Nog beschamender: dé projectgroep, dé stuurgroep en hét overkoepelende managementteam (heel gebruikelijk in de zorg dat ook zij er een plasje over doen) hebben ook over dit geniale gepruts heen gekeken.

En lieve mensen, we praten hier niet over de KPN, de Rabobank of een Unilever. Nee, we praten hier over ziekenhuizen! Ik kan het mis hebben, maar daar is de mens in rolstoel toch zeker geen dwaalgast? En het gaat hier niet over oude gebouwen die beperkt worden in hun gastvrij-zijn door bouwtechnische handicaps. Ik zeg het u: spiksplinternieuwe zalen in ZIEKENHUIZEN.

Voor de goede orde, de mensen bij het Meander lossen het geweldig op. Ze schaffen een lift aan om mij op het podium te krijgen. In het UMC Utrecht bleef ik stoïcijns achter in de zaal zitten. Meer dan de helft van de toehoorders kon mij niet zien, maar iedereen voelde de schaamte.

Door dit soort rariteiten voel ik mij gehandicapt. En nog even ter verduidelijking: ik heb écht een hekel aan dat woord ‘gehandicapt’. Ik wil helemaal niet die zeurende gehandicapte zijn, die vindt dat alles voor hem geregeld moet worden. Maar hier is gepaste schaamte van architect, stuurgroep en managementteam op zijn plaats. Foei!

 

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels