artikel

Kleinschalig wonen: mag het grootschaliger?

Mens & Gedrag

Kleinschalig wonen voor mensen met dementie stond de voorbije 15 jaar vooral bekend als wonen in groepen van 6 bewoners. De laatste tijd lijken zorginstellingen echter voorzichtig de stap naar iets grootschaliger te maken. Kunnen we al spreken van kleinschalig wonen 2.0?

Kleinschalig wonen: mag het grootschaliger?

“Het zal 2003, 2004 geweest zijn, toen kleinschalig wonen voor mensen met dementie op begon te komen”, schat Daniëlle Harkes, manager bij Aedes-Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg in Utrecht, in. “Een aantal  projecten die toen werden opgestart waren al gebaseerd op het scheiden van wonen en zorg. Dat was voor veel partijen nieuw.” Tussen 2005 en 2010 ging het vervolgens hard, mede door een subsidieregeling. “Veel verpleeghuizen probeerden die kleinschalige zorg ook te realiseren binnen hun bestaande gebouwen”, stelt Harkes. “Wij zagen dat kleinschalige zorg steeds meer inburgerde in de reguliere verpleeghuiszorg.”  

Met de opkomst van kleinschalige zorg verschoof het accent van een medisch zorgmodel naar een sociaal model. “In de begintijd werd de groepsgrootte heel belangrijk gevonden. Het streven was een huiselijke situatie te creëren: 5 tot 6 personen maximaal; het model van een huisgezin.  Tegenwoordig is er meer aandacht voor de individuele kwaliteit van leven. Daarbij zie je dat elementen van kleinschalige zorg behouden blijven, dat de gewone dingen van het leven centraal staan. Samen koffie drinken of koken op de groep. Er is ook meer aandacht voor individuele behoeften. In kleine groepen zijn mensen tot elkaar veroordeeld. Dat luistert heel nauw. Als mensen elkaar niet liggen, kan dat tot spanningen leiden.” 

Omslag naar grootschaliger

De personele bezetting speelt zeker mee bij het ontstaan van grotere groepen: “Bij een kleine groep sta je als verzorgende vaak alléén. Dat maakt je kwetsbaar. Zeker nu bewoners vaak zwaardere zorg nodig hebben. Doordat de financiering steeds weer werd aangescherpt zie je dat er voor iets grotere groepen gekozen wordt, van 8 tot 10 personen, soms zelfs 12. Huiskamers worden zodanig gesitueerd dat je ook naar een andere huiskamer kunt. Ook worden er meer ‘belevingshoekjes’ gerealiseerd, waar je je terug kunt trekken.” Dat past niet in de oorspronkelijke visie van kleinschalig wonen als gezinsmodel maar biedt wel meer mogelijkheden om als bewoner aan te sluiten bij een huiskamersfeer, die het best bij die persoon past. Er ontstaat letterlijk meer bewegingsvrijheid.   

Harkes signaleert dat kleinschalige zorg de grenzen opzoekt.  Groepen van 5 of 6 personen worden eigenlijk niet meer gerealiseerd. Maar ook in een groep van 8 kan kleinschalige, op de persoon afgestemde zorg gegeven worden, vindt zij. “Zorginstellingen beschikken niet allemaal over veel extra ruimte. In bestaande verpleeghuizen zie je algemene ruimtes, brede gangen en activiteitenruimtes. Nieuwe projecten, die vanuit een kleinschalig concept worden gebouwd, hebben geen overdaad aan ruimtes. Daar kun je een groep dus moeilijk groter maken. Wij zien dat de nieuwste projecten wél naar die ruimte zoeken. Neem Juliana van de ZZG Zorggroep in Nijmegen. Daar werken ze met kleine appartementjes voor mensen met dementie. Daar komen ‘buurtkamers’ bij voor meer groepsgerichte activiteiten. In de Martha Florahuizen heb je de Meander, een ruimte met  verschillende activiteiten en sferen, waar je aan kunt schuiven.” 

Veel vragen 

Er is volgens Harkes geen uniforme aanpak mogelijk. “Elke organisatie zit er verschillend in. We horen steeds vaker dat mensen met een zwaardere zorgbehoefte in het verpleeghuis komen. Dat stelt andere eisen aan het zorgconcept: individuele zorg krijgt meer nadruk dan groepsgerichte activiteiten.” Het Kenniscentrum krijgt veel vragen, óók van organisaties die eigenlijk al een keus gemaakt hebben. “Die vragen zich af hoe ze moeten bouwen voor mensen met dementie. Daar hebben we geen pasklare oplossing voor liggen. De vorm moet passen bij de visie van de organisatie. Vaak kiest men voor groepen van 8 tot 12 bewoners. Groter zie ik het niet. En dat noemen ze dan huiselijke zorg of gekoesterd wonen, in plaats van kleinschalige zorg.” 

Ze onderkent dat door de toename van het aantal acute opnames in het verpleeghuis er vaak niet veel te kiezen valt voor de bewoner of diens familie. “Terwijl je zou willen dat per persoon gekeken wordt welk zorgconcept het beste past. De één heeft veel baat bij een kleine geborgen groep, de ander heeft meer behoefte aan bewegingsvrijheid.  Meer en meer gaan we af van het idee dat er één model is voor goede zorg voor mensen met dementie. Organisaties zoeken naar mogelijkheden binnen de grenzen van de financiering en het bestaande gebouw. Ik zie dan ook niet het einde van kleinschalig wonen, maar méér een doorontwikkeling.” 

Nieuwe vormen 

De Zorggroep is actief in Noord- en Midden-Limburg. Daar telt de sector Zorg voor mensen met dementie zo’n 30 locaties. “Iedere locatie biedt onderdak aan een aantal woongroepen of afdelingen”, vertelt projectleider Dorry Peters. Daarbij zoekt men nadrukkelijk ook naar nieuwe vormen. “Wij willen meer variatie bieden. Bewoners hebben er ook behoefte aan om andere mensen te ontmoeten.” Daarom wordt besloten een oud verpleeghuis in Blerick drastisch te gaan verbouwen. “Het is uiteindelijk gewoon een fantastisch gebouw. Helemaal laagbouw en met een prima ligging in de wijk. Daar gaan we het beste van twee werelden toepassen”, klinkt het enthousiast.  

“Het huidige verpleeghuis heeft een grote ontmoetingsruimte en afdelingen somatiek en dementie van elk 32 cliënten. Dat wordt verbouwd tot vier kleinere groepen. Daarbij heeft iedereen een eigen kamer en is er gezamenlijk één huiskamer. Tussen twee huiskamers in komt een leefkeuken: een ruimte om te ontmoeten en om samen te koken. De huiskamers zijn prikkelarm, die leefkeukens daarentegen prikkelrijk. Daar komt een kookprofessional, die samen met de mensen die willen, de maaltijd gaat bereiden. Dat kunnen we creëren door slimmer met onze budgetten om te gaan, mensen te laten doen waar ze goed in zijn.” 

Kwaliteit van leven 

Iedere woongroep krijgt ook een logeerkamer. Deze is bedoeld voor bijvoorbeeld cliënten die thuis wonen, maar voor een korte periode opvang nodig hebben. In het middengedeelte van het complex komen rond een centrale ruimte – het ‘dorpsplein’- vijf studio’s voor echtparen, waarvan mogelijk maar één van de twee een zorgindicatie heeft. “Zo kunnen mensen toch bij elkaar blijven wonen wanneer thuis wonen voor één van hen echt niet meer gaat. Samen in slaap vallen en wakker worden, dat kan hier wel. Daarnaast hebben we ook hier twee logeerstudio’s voor tijdelijke bewoning, voor mensen die kort moeten revalideren of die zorg nodig hebben maar even ‘op vakantie’ willen. Ook de tuin gaan we zo inrichten dat we een echt vakantiegevoel creëren voor bewoners die hier enkele weken verblijven.” 

Peters onderstreept dat het allemaal om kwaliteit van leven gaat. “Dat betekent ook: een mooie dag, lekker samen koken. Wie dat niet wil, blijft lekker in de huiskamer. Dat geeft rust voor de medewerkers. Er zitten toch acht mensen bij elkaar, die niet voor elkaar gekozen hebben.” Ze weet dat deze opzet met vijf of zes cliënten niet werkt: “Dat wordt met de inzet van professionals nooit kostendekkend.” Ze is benieuwd hoe de nieuwe formule straks in de praktijk uitpakt. “Ik denk dat we hiermee iets heel moois neerzetten! Het project in Blerick gaat medio 2018 draaien.” 

Gekoesterd wonen 

Ook zorginstelling Vecht en IJssel, met 4 locaties in Utrecht en IJsselstein, heeft gekoesterd wonen in haar zorgverlening opgenomen. Zij beschikt over 106 plaatsen gekoesterd wonen. Mariska Vergeer is locatiemanager bij Lieven de Key in Utrecht. “Dat is de kleinste van onze vier locaties. Wij hebben 38 cliënten op gekoesterd wonen. Dat moet zoveel mogelijk aansluiten bij het gevoel van ‘thuis’.” De nieuwbouw locatie is  sinds eind 2013 open. “We werken met gelaagd wonen”, vervolgt Vergeer. “Op de benedenverdieping zijn vijf met elkaar verbonden huiskamers: twee voor zeven personen en drie voor acht. Op de eerste verdieping liggen de appartementen. Die zijn ruim van opzet, met eigen douche en toilet.” 

 

In hetzelfde gebouw huist een kinderdagverblijf. “Eén bewoonster is daar voorleesoma. Die kinderen brengen een heel andere dynamiek. Je ziet hier weer iets gebeuren. Er komen zo prikkels. In de andere helft van het gebouw zitten huurwoningen, van de woningstichting. Dementerende mensen zijn óók mensen. Die moet je zo veel mogelijk laten integreren. Wij hebben ervoor gekozen om ze onderdeel te laten zijn van de samenleving. Dat is best bijzonder.” Ook in Utrecht is bewust niet voor groepen van zes cliënten gekozen. “Dat is financieel lastig rond te breien”, luidt ook daar de ervaring. 

Bij Lieven de Key koken de medewerkers zélf. Ook het ontbijt en de lunch worden met de bewoners samen genuttigd. “Dat willen we er graag inhouden. We hebben in principe één medewerker per huiskamer staan. En dan zijn er nog twee ondersteuners, die flexibel inzetbaar zijn. Daarmee redden we het.” Vergeer ziet de manier waarop gewerkt wordt niet meer als de oorspronkelijke gedachte van één gezin vormen met de bewoners. “Daar zie je wel een verandering in. Ik besef dat wij in een luxe positie verkeren. Er is nagedacht over ons gebouw. Wat we hier doen heeft de charmes van het kleinschalige, maar dan nét iets groter.” 

> TIP: Meer weten over kleinschalig wonen? Lees er alles over op onze speciale kleinschalig wonen-pagina

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels