nieuws

Column: Olifantenbeen

Mens & Gedrag

Zaterdag kom ik ineens tot de ontdekking dat mijn broek strak staat en niet op het punt waar het normaliter gebeurt. Ditmaal is het mijn linkerbeen dat de proporties van een olifant heeft aangenomen.

Column: Olifantenbeen

Die nacht slaap ik niet. Mijn benen liggen inmiddels omhoog, maar de toegenomen spanning en stemmen in mijn hoofd zorgen ervoor dat ik pas rond vijf uur onder veel te veel morfine in slaap val.

Lees ook ‘Achmed’

Wat is er aan de hand? Is het ernstig? Het zal toch geen trombose zijn? Kan ik nog wel handbiken en werken? En ga zo maar door…
De volgende morgen. Wakker worden, de auto in, niet wetende wat er speelt. Ik merk dat de onwetendheid mij het meest raakt. Wat is er nu weer aan de hand? De spoedeisende hulp binnen, aanmelden, wachten… altijd dat wachten. Dan gaat de deur open en hoor ik van een afstandje: “VAN DEN ADEL!” Kim en ik schrikken wakker van de ingedutte staat waarin wij ons inmiddels begaven.
“Hoi Niek, ik ben dokter Van Schaap.” Ze vraagt me wat ik eigenlijk heb. Ik vertel haar van m’n dwarslaesie en zeg dat ik heel gelukkig ben. “Ooohhhh, wat errug”, loeit dokter Van Schaap op z’n Maike Meijers van Toren C.
Wat erg, wat erg? Dat is helemaal niet erg. “Ik ben hartstikke gelukkig”, roep ik.
Hoe komt dat dan, wil ze graag weten? Daar gaan we weer, die eeuwige vraag waarop ik het antwoord inmiddels zat ben. Voor wie het nog niet weet: ik ben van m’n motor gelazerd. Daarop snijdt deze ietwat excentrieke dokter Van Schaap het onderwerp leven na de dood aan.
Ze is echt wel aardig, maar hier heb ik even geen zin in. Ik maak mij zorgen om mijn olifantenbeen. Zorgelijk voelt ze aan mijn gezwollen, harde en vol vocht zittende been, en ik weet al wat er gaat volgen. De medische molen…
Foto’s maken, niks vinden. Echo maken, niks vinden. Bloed aftappen, niks vinden. Geen trombose, geen breuken en geen infectie. Wat dan wel?
Ik heb het mijzelf gemakkelijk gemaakt en doezel zo af en toe weg in de o zo gezellige kamer vol slangen en maskers. Soms open ik m’n ogen als ik weer naar een nieuwe kamer wordt gereden, waar het volgende onderzoek plaatsvindt. Dennis van de radiologie wil ook weten hoe mijn ongeluk is gebeurd. Ik vertel wederom mijn waaghalzengeschiedenis. Dennis van de radiologie rijdt zelf motor.
Ik ben er wel klaar mee. Na zes uur liggen op de afdeling wil ik alleen nog naar huis. De doktoren en verpleegkundigen zijn echt aardig voor mij, dat is het niet. Maar ik wil hier gewoon niet meer zijn. Ik wil naar huis. Ik merk dat ik dit steeds lastiger vind. Hoe beter het met mij gaat, hoe moeilijker ik het vind om de patiëntrol te vertolken.
Vermoeid en op ga ik naar huis. Geen diagnose helaas, wel alle energie weg. De avond met vrienden, familie en een fantastische barbecue maakt alles weer goed, dan ben ik weer even gewoon Niek.
Het is niemands schuld, maar er is niemand in het hele ziekenhuis geweest die even de tijd voor mij heeft genomen. Al is het maar voor een paar seconden. “Niek, hoe is het met je? Ik zie dat je je zorgen maakt. Kan ik wat voor je doen?”
Begrijp me niet verkeerd: ik ben prima geholpen. Maar van prima naar goed hebben wij alleen nog wel een slag te slaan. Ziekenhuizen zijn nog steeds vooral fysiek ingestelde organisaties, de mentale kant legt het nog te vaak af.

Niek van den Adel werkt als gastvrijheidstrainer, spreker en inspirator bij TrainMark in Alkmaar. Daarnaast schrijft hij regelmatig blogs op Niekvandenadel.nl. In 2010 ging Niek onderuit met zijn motor en belandde hij in een rolstoel. Sinds vorig jaar werkt hij weer fulltime. Voor zijn trainingen en inspiratiesessies maakt hij vaak gebruik van zijn eigen ervaringen gedurende zijn revalidatieproces.
Reageren op de aantekeningen van Niek? n.vandenadel@trainmark.nl

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels